van VCGO tot HIPGO

Dick Wursten (2024)

Het begon allemaal met de Schoolpactwet (1958), maar eigenlijk al veel eerder. Catechese in klasverband, en net als meneer Pastoor op de neutrale “officiële school”: het gebeurde al lang, maar incidenteel en zonder subsidie (en meestal door de dominee, of een hulppredikant). Dat veranderde in 1958. Een overzicht.

Ondertekening van het schoolpact. (1958). Leo Collard zet z’n handtekening onder het toeziend oog van onderwijsminister Maurits van Hemelrijck.

Toen het in 1958 – na een zeer felle schoolstrijd – middels de Schoolpactwet mogelijk werd om protestantse godsdienstlessen in te richten op alle ‘officiële scholen’ (toen nog rijksonderwijsprovinciaal of gemeentelijk onderwijs) werd al duidelijk dat de vraag naar goede leermeesters en leraars pijlsnel zou gaan groeien, en dus ook de behoefte aan een gedegen lerarenopleiding. Ook godsdienstleraar-zijn is een vak. Al snel ontstond er een informeel ‘zelf-lerend’ netwerk, waarin onderwijzers, leraars en predikanten, praktische cursussen gaven aan nieuwe leermeesters. ‘In-service training’ was het, ookal bestond die term toen nog niet. Aan de Protestantse Faculteit te Brussel (FPG) werd een aggregaat ingericht voor degenen die in de hogere graden van het secundair wilden lesgaven. Zelf Protestantse leermeesters opleiden? Het is gedaan.

De oprichting van het VCGO

In het schooljaar 1971-1972 werd besloten de opleiding niet meer ad-hoc te doen maar werd het Vormingscentrum voor het Godsdienstonderwijs (VCGO) opgericht, een feitelijke vereniging met zetel in de Marsveldstraat 5 (toen ook de zetel van de erkende kerk) Dat deze oprichting samenviel met de erkenning van het statuut van ‘godsdienstleraar’ is geen toevalligheid. Daarbij hoorden immers diploma-vereisten. De opleiding duurde drie jaar en elk jaar konden nieuwe deelnemers instromen. Dit vergde veel van de lesgevers, maar het belang van een goede opleiding werd door iedereen aangevoeld. De cursus was opgebouwd vanuit de filosofie dat leermeesters (en leraars) ‘Pedagogical content knowledge’ moeten hebben, dat betekent niet enkel theoretische kennis van de hoofdvakken (bijbel, kerkgeschiedenis) maar tegelijk ook hoe men die aan de leerlingen (van diverse leeftijden) moet aanbrengen. Ook stond de pedagogische opleiding vanaf dag 1 centraal, inclusief stages. De lessen vonden plaats in de lokalen van de Protestantse Faculteit aan de Bollandistenstraat. Omdat de studenten van de opleiding bijna altijd al werkzaam waren, vonden de lessen plaats op de woensdagnamiddag. Enkele sleutelfiguren uit de beginperiode waren de inspecteurs H.R. Boudin, Th. da Costa en Cécile Hans. Vooral de laatste dient als een stuwende kracht achter de oprichting en werking van het VCGO te worden beschouwd. Het curriculum werd in nauwe samenwerking uitgewerkt met leerkrachten en predikanten (o.a. J. Nijs). Toen de eerste lichting afstudeerde kon een volwaardig diploma (erkend bekwaamheidsbewijs) worden afgeleverd, want minister van onderwijs W. Calewaert had inmiddels het VCGO officieel erkend als ‘Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen’ (HIPGO).[1]

Geared to the times, anchored to the rock

In de loop der jaren onderging het instituut geregeld organisatorische en inhoudelijke veranderingen. Organisatorisch. Er kwam een vaste coördinator: Vanuit de inspectie werd Hilde Reynaert in 1982 de coördinator, opgevolgd door Gaby Labeur. De praktische organisatie is in handen van Bert Beukenhorst. Tania Rutten neemt de begeleiding van het pedagogische luik en de stages voor haar rekening. De eisen die aan leermeesters werden gesteld werden met de jaren hoger. Dat betekende ook dat het aantal vakken en de inhoud van de vakken toenam. Vanaf de 7de cyclus in 1989 werd de opleiding daarom lineair georganiseerd, wat betekende dat instappen enkel nog om de drie jaar mogelijk was, waardoor met name voor de hoofdvakken er meer tijd en rust was om de inhoud aan te brengen. Ook bleef het zo mogelijk om de stages goed te organiseren en op te volgen. De lessen verhuisden naar een lokaal van de Nieuwe Graanmarktkerk. Vanaf 1992 werd de duur van de cursus ook uitgebreid: 4-jarige cyclus van woensdagmiddagen (en stages). Het VCGO kreeg nu ondersteuning van het Volwassenvormingswerk van de VPKB in de persoon van ds. Bert Beukenhorst, die de coördinatie op zich nam. De lesmiddagen werden ook onderdeel van het VPKB-volwassenenvormingswerk. Er werden pogingen in het werk gesteld de cursus open te stellen voor niet-leerkrachten. Dit kende slechts een zeer beperkt resultaat. De organisatie werd uit handen van de inspectie genomen en toevertrouwd aan een pedagogisch college en een jaarlijkse lectorenvergadering. Ondanks deze professionalisering bleef het VCGO een feitelijke vereniging met een eigen huishoudelijk reglement. De inzet van vrijwilligers (m.n. de lesgevers) was en bleef cruciaal. Hoezeer men ook mee veranderde met de tijd, altijd bleef het doel hetzelfde: goede leermeesters/leraars afleveren, zowel inhoudelijk als didactisch, want daarop hebben ‘onze kinderen’ recht.

Professionalisering – oprichting vzw HIPGO

In 1996 (9e cyclus) begon men te denken aan een samenwerking met het UFPG, maar dit bleek geen eenvoudig traject. In 2002 werd mede op vraag van het werkveld geprobeerd om over te schakelen op een modulesysteem, omdat het aantal studenten dat tussentijds wilde instappen steeds groter werd. Ook werd de cursus weer teruggebracht naar 3 jaar. Het gevolg was een toename aan inschrijvingen, maar ook aan planlast. In de jaren 2000 werd het opleidingslandschap grondig herschikt in het kader van het Bologna-proces dat de invoering van het bachelor-masterstelsel in heel Europa beoogde. Onder leiding van Paul Van Sichem startte het VCGO gesprekken over de integratie in deze structuur. De opleiding werd herbekeken als een soort professionele bachelor, met de invoering van ECTS-punten en nauwere samenwerking met de UFPG. Er kwam een schakelprogramma dat toeliet om vanuit HIPGO door te stromen naar het tweede jaar van een bacheloropleiding.[2] Tegelijkertijd verplichtte een nieuw decreet van de Vlaamse overheid instellingen om te kiezen tussen een vormingsaanbod of een onderwijsaanbod (met recht op diploma uitreiking). Vanwege het belang van het diploma en de doelgroep koos het HIPGO voor onderwijs. Hoewel het HIPGO-diploma een kerkelijk diploma bleef, werd het inhoudelijk gemodelleerd naar een professionele onderwijsbachelor. Inspectie en kwaliteitscontrole gebeurden echter niet via het ministerie van Onderwijs, maar vanuit de VPKB, nu onder de koepel van ARPEE, via het comité PEGO als erkende instantie. De naam HIPGO werd nu ook naar voren geschoven als de officiële naam, de merknaam vcGO bleef behouden vanwege de herkenbaarheid.[3] Om een nauwere samenwerking met de UFPG te kunnen uitwerken, werd de feitelijke vereniging omgevormd tot een vzw HIPGO, officieel opgericht op 7 juli 2004.[4]  Dick Wursten wordt voorzitter, Tania Rutten secretaris en Gaby Labeur penningmeester.

cover van de studiegids (ontwerp Tania Rutten en Dick Wursten), jaarlijkse uitgave. (pre-internet times)

Opheffen, samenwerken, doorgaan?

In 2007 dreigde voor de eerste keer de opheffing van de opleiding. De administratieve druk was gestegen. Een goede begeleiding van de studenten (vooral, maar niet alleen tijdens hun stages) vergde veel tijd. Na een crisisvergadering werd beslist om toch de 12e cyclus op te starten, maar met extra ondersteuning van Christine van Belle (studentenadministratie) en Marius Joosten (studentenbegeleider). Er werd ook een eigen website ingericht: www.hipgo.be. Het HIPGO leek de crisis te hebben overleefd.

Er kwam zelfs een nieuwe dynamiek. In 2011 begon er zelfs een officiële samenwerking met Groep T (later UCLL), de enige plurale lerarenopleiding in Vlaanderen. De module “Protestantisme” werd daar opgenomen, met Daniel De Waele als docent theologische vakken, en Ernst Veen voor ethiek. In die periode verhuisde HIPGO ook naar het Huis van het Protestantisme in de Brogniezstraat. Met de 14e cyclus in 2013 werd besloten de naam vcGO definitief te laten vallen. Voortaan werd enkel nog van HIPGO gesproken. Er kwam een nieuwe huisstijl met logo, en het volledige curriculum werd omgevormd tot een modulair systeem: alle vakken werden afzonderlijk aangeboden in A-, B- en C-jaren. De 15e cyclus in 2016 zette deze lijn voort. In 2018 startte een samenwerking met de Thomas More Hogeschool voor de professionele bachelor PEGO. Tegelijkertijd verstrengde het comité PEGO de criteria: studenten moesten binnen zes jaar aantoonbaar een opleiding afronden. Niet geheel toevallig, steeg plots het aantal inschrijvingen spectaculair. Op 3 oktober 2018 werd de piek bereikt: Er stonden 32 studenten ingeschreven voor de cursus van dat jaar. Logistiek begon een nachtmerrie. Het succes leidde tot een overbelasting (vooral op het vlak van stagebegeleiding en didactische training) die op termijn onhoudbaar bleek.

screenshot van de website uit 2010

Een moeilijke keuze werd gemaakt door het pedagogisch college. Met ingang van de 16e cyclus (2019-2022) werd de praktijkopleiding stopgezet. Studenten die al bezig waren, mochten de opleiding afronden, maar nieuwe studenten moesten elders hun pedagogisch bekwaamheidsbewijs gaan halen. De meeste studenten kozen voor IBV of een professionele bachelor in deeltijd. Nieuwe inschrijvingen gebeurden enkel nog voor de 7 certificaatsvakken, een verkorte theologische basiscursus, aanvaard door PEGO als alternatief voor een volledig theologisch diploma indien de kandidaat een erkend onderwijsdiploma had.

Het einde

In juni 2022 werd besloten om nog één cyclus te starten – op voorwaarde dat er concrete engagementen zouden volgen voor een doorstart met een nieuwe ploeg en vernieuwd kader (bijvoorbeeld met een gedeeltelijk vrijgestelde vormingspredikant VPKB, of door een inbedding in het aanbod van de FPTR). Er vonden positieve gesprekken plaats met beiden, de VPKB en FPTR, maar een substantiële respons bleef uit. Zo begon in oktober 2022 de 17e en laatste cyclus. In 2023-2024 werd enkel nog een begeleidingstraject aangeboden voor studenten die hun opleiding wilden afronden. Op 26 juni werd op de docentenvergadering besloten geen nieuw aanbod meer te doen. Op een vergadering van de vzw op 25 september 2024 viel uiteindelijk het doek over HIPGO.  Een hoofdstuk in het protestants godsdienstonderwijs kwam daarmee definitief tot een einde.

Oud-docenten: (lijst samengesteld vanuit gecombineerd geheugen, dus verre van compleet):
Jan Nijs, Th. Da Costa, Andre Van de Vijvere, Christine Rosseels, Ludo van Malcot, Christine Liagre, Frans Ramakers, Paul van Sichem, Bert Beukenhorst, Robert Goemaere, Eddy Van der Borght, Gaby Labeur, Tania Rutten, Steven Fuite, Jurjen Wiersma, Willy Willems, Danny Rouges, Huub Vogelaar, Elke Clotman, Erna Modders, Herman Aerts. Ook werden in het kader van de kennismaking met andere levensbeschouwingen vaak een beroep op gastdocenten gedaan.

Docenten actief bij opheffing vzw: (sommige ook meer dan 20 jaar):
Philippe Beukenhorst, Daniel De Waele, Dick Wursten, Ernst Veen, Jart Voortman, Harry Sinnaghel, Raymond Hausoul.

Gegevens: totaal ingericht 17 cycli


van cyclus 1-10 (1971-2003)             ca. 80 afgestudeerden
van cyclus 11-17 (2004-2024)           55 afgestudeerden aan de opleiding, extern: 2

BIJLAGE: een fotocollage

Linksboven: 2024 laatste les ethiek – Rechtsboven: 2018 examen kerkgeschiedenis
De andere drie foto’s : 2010 diploma-uitreiking


[1] 25 april 1974: erkenning door de Minister van Onderwijs, W. Calewaert van het VCGO als Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen, overeenkomstig het koninklijk besluit Van 1971 dat het statuut van leerkrachten godsdienst regelt. (KB 25/10/1971, bijlage B, § 3, b). In 1990 erkende de Vlaamse regering het diploma uitgereikt door het HIPGO als een vereist bekwaamheidsbewijs voor het lager onderwijs (LO) en een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het lager secundair onderwijs (LSO). De officiële benaming van het diploma werd: “Diploma Protestantse Godsdienstonderricht in de Lagere Graad”.

[2] In 2004 keurde de Nederlandstalige afdeling van de UFPG het schakelprogramma goed. Studenten met een HIPGO-diploma konden voortaan instromen in het tweede jaar van de bacheloropleiding

[3] Die afkorting stond voortaan voor Vormingscentrum voor Geloof en Opvoeding.

[4] De opleiding bood zelfs tijdelijk twee richtingen aan: een praktijkgerichte richting voor het onderwijs en één voor kerkelijke werkers. Het diploma ‘kerkelijk werker’ werd “goedgekeurd” door een brief van de synodevoorzitter (ds. D. Vanescote, d.d. 26 februari 2004). De kerkelijke richting kende echter weinig succes: slechts twee studenten doorliepen de volledige cyclus.